|
Basisontwikkeling
Ontwikkelingsgerichte onderwijspedagogiek voor jonge kinderen
Ontstaan
Theoretische uitgangspunten
Ontwikkelingsgericht onderwijs
Kenmerken van basisontwikkeling
Ontstaan
In 1988 is een begin
gemaakt met een project dat een belangrijke bijdrage is gaan leveren aan
opvoeding van en onderwijs aan jonge kinderen. De aanleiding was dat de
integratie van het kleuteronderwijs en lager onderwijs tot de nieuwe
basisschool, die een aantal veranderingen met zich bracht voor de praktijk die
niet allemaal waren voorzien of gepland. Er was behoefte aan een praktijktheorie
voor vernieuwd onderwijs dat een antwoord zou geven op de vraag hoe de praktijk
continuïteit en samenhang zou kunnen realiseren in het onderwijs van kinderen
van vier tot acht jaar, de onderbouw van de basisschool.
De samenwerking van vier
disciplines heeft ertoe geleid dat inmiddels een theoretisch onderbouwd
onderwijspedagogisch concept, bouwstenen voor praktijkverbeteringen en een
innovatiestrategie beschikbaar zijn. Het APS (projectgroep Onderbouw) heeft het
ontwikkelwerk tot stand gebracht met de Hogeschool Alkmaar. Deze heeft in de
samenwerking met basisscholen de betekenis voor en bruikbaarheid in de praktijk
kunnen verkennen; en heeft op basis daarvan belangrijke aanzetten voor de
innovatiestrategie mee ontwikkeld. De Vrije Universiteit van Amsterdam (Van Oers)
heeft theoretische bijdragen geleverd en het theoretisch concept verder
ontwikkeld en veel werkers in de praktijk van het basisonderwijs hebben hun
praktijksituaties en ervaringen ter beschikking gesteld zodat het ontwikkelwerk
zowel theoretisch als praktisch verantwoord werd.
Theoretische
uitgangspunten
Het onderwijspedagogisch
concept is gebaseerd is op neo-Vygotskiaanse theorieën. De volgende aspecten
daarvan zijn met name van betekenis voor opvoeding en onderwijs van jonge
kinderen:
(overgenomen uit: Van Oers en Janssen-Vos, 1998. Zie deze publicatie
voor de aangehaalde bronnen).
* Zone van naaste
ontwikkeling
In Vygotskij's ontwikkelingstheorie staat de gedachte centraal dat kinderen zich
ontwikkelen door de omgang met volwassenen en door deelname aan
sociaal-culturele activiteiten van volwassenen. Volwassenen kunnen ontwikkeling
van kinderen stimuleren door hen de juiste hulp te bieden in sociaal-culturele
activiteiten waarin zij betrokken willen worden.
Een zone van naaste
ontwikkeling is te omschrijven als een sociaal-culturele activiteit waaraan het
kind zinvol kán en wíl deelnemen, maar die het nog niet zelfstandig kan
volbrengen. Daarvoor heeft het kind de hulp nodig van een ander die onderdelen
voor zijn rekening neemt die het kind zelf nog niet beheerst. Voorlezen is zo'n
voorbeeld van een activiteit die voor jonge kinderen (die nog niet zelfstandig
lezen) een zone van naaste ontwikkeling vormt. Het kind wil het verhaal 'mee
lezen' maar kan de tekst niet zelfstandig ontcijferen. Dat deel neemt de
volwassene, of een andere meerwetende partner, voor zijn rekening. Door zo samen
te lezen staat de partner niet alleen model voor het kind, maar wordt ook de
behoefte aan leren gewekt.
* Leidende activiteiten
Vygotskij hechtte niet alleen
veel belang aan het aandeel van volwassenen in ontwikkelingsprocessen; het
aandeel van kinderen zelf vond hij niet minder belangrijk: 'Het kind moet zelf
handelen, de leerkracht hoeft die activiteit alleen te begeleiden en richting te
geven' (Vygotskij, 1926/1991, p.118). Hij
benadrukte daarom de noodzaak om
aansluiting te zoeken bij de eigen actuele vaardigheden en interesses van het
kind. Want ontwikkeling kan alleen voor het kind zelf betekenis krijgen als deze
het resultaat is van een versterking of transformatie van de actuele
capaciteiten van dat kind: dat wat het al kan en zelf wil.
Leont'ev en later
El'konin werkten deze gedachte over actuele vaardigheden en interesses bij jonge
kinderen verder uit door de introductie van de notie 'leidende activiteit' (El'konin,
1972). Deze theorie komt erop neer dat kinderen op verschillende momenten in hun
ontwikkeling een grote voorkeur aan de dag leggen voor een bepaald type
activiteiten. Activiteiten die enerzijds aansluiten bij hun actuele
handelingsmogelijkheden en interesses, en die anderzijds ook een bijzondere rol
blijken te spelen in het totale ontwikkelingsproces.
El'konin heeft aan de
hand van deze 'leidende activiteiten' stadia in ontwikkeling aangeduid. Hij
betoogde dat educatieve activiteiten het meest bevorderlijk zijn voor
stimulering van ontwikkeling, als ze ingebed zijn in de leidende activiteit waar
het kind op dat moment in verkeert.
In de basisschoolperiode
zijn twee opeenvolgende activiteiten 'leidend'. Voor kinderen vanaf ongeveer 3
jaar is de spelactiviteit het meest voorkomend en 'leidend' in het
ontwikkelingsproces. Aanvankelijk overheerst het manipulerend spel met
voorwerpen; een spelactiviteit die zich geleidelijk aan voortzet in het
rollenspel waarin kinderen het handelen van volwassenen in sociaal-culturele
situaties naspelen (winkelspel bijvoorbeeld, boodschappen doen). Het rollenspel
is in doorsnee kenmerkend voor kinderen in de kleuterperiode. Deze
spelactiviteit gaat geleidelijk over in de bewuste (productieve) leeractiviteit,
die in de periode van circa 7 tot 12 jarigen de overhand krijgt. In de
leeractiviteit is het leren om het leren zelf het leidende principe van
activiteiten. Dit uit zich in de vragen die kinderen stellen naar juiste
antwoorden, naar procedures voor oplossingen van problemen. Ze zijn er bewust op
uit te weten te komen hoe iets zit of werkt. De leeractiviteit in deze betekenis
komt voort uit de spelactiviteit, waarin kinderen eerst 'doen alsof'.
Strategieën voor de
bevordering van nieuwe leerprocessen (in de zone van naaste ontwikkeling) moeten
dan ook in spelactiviteiten gezocht worden. Die leerprocessen dienen wel aan
twee criteria voldoen:
- Ze moeten bijdragen
aan de optimalisering van de spelactiviteit zelf. Alleen indien het leren
voor de kinderen zelf een bijdrage aan hun spel betekent, kan het geleerde
voor hen zinvol worden. Dat wil zeggen dat kinderen hun spel voor kinderen
zelf aan waarde moet gaan winnen en dat het spelniveau toeneemt.
- De op gang te brengen
leerprocessen moeten de mogelijkheid vergroten tot deelname aan de
activiteit die in de volgende ontwikkelingsperiode 'leidend' wordt. Voor
jonge kinderen betekent dit dat de leerprocessen erop gericht zijn de
motivatie en de mogelijkheden voor deelname aan de productieve
leeractiviteit te vergroten.
Leerprocessen die aan
beide criteria voldoen, zijn ontwikkelend of ontwikkelingsgericht te noemen. Ze
voltrekken zich echter niet automatisch of spontaan; kinderen moeten geholpen
worden bij het zinvol aangaan van deze leerprocessen. De inspanningen die
leerkrachten daarvoor verrichten, maken dat er van ontwikkelingsgericht
onderwijs sprake kan zijn.
Ontwikkelingsgericht
onderwijs
Op basis van ondermeer deze (zie
boven) richtinggevende uitspraken over ontwikkeling en leren heeft het concept
'ontwikkelingsgericht onderwijs' steeds duidelijker gestalte gekregen. De kern
daarvan laat zich in samenvattende zin door de volgende uitgangspunten typeren:
- onderwijs onderneemt
systematische pogingen om de ontwikkelingsmogelijkheden waarover kinderen al
beschikken, optimaal te benutten en uit te breiden;
- het streeft een brede
persoonsontwikkeling na, die mede door het leren van kennis en vaardigheden
tot stand komt;
- het onderwijs is
gericht op deelname aan sociaal-culturele activiteiten die voor kinderen
persoonlijk zinvol zijn en die betekenis voor hen hebben en/of kunnen gaan
krijgen;
- het steunt op het
aandeel van leerkrachten die zich als partner van kinderen opstellen helpen
bij de uitvoering van activiteiten en zo bemiddelen tussen behoeften en
betekenissen van kinderen aan de ene kant en cultuuroverdracht aan de andere
kant.
Kenmerken van
Basisontwikkeling
Zowel de theoretische
uitgangspunten als kenmerken van de bestaande praktijk (die daarmee in
overeenstemming zijn) bieden aanknopingspunten voor een onderwijspedagogisch
werkplan dat in de praktijk bijdragen kan leveren aan fundamentele
verbeteringen. Het werkplan bestaat uit 'bouwstenen' waarmee leerkrachten een
ontwikkelingsgerichte praktijk gestalte kunnen geven.
De bouwstenen hebben
betrekking op (Janssen-Vos, 1997):
1. de doelen;
2. het
activiteitenaanbod;
3. het handelen van de
leerkracht;
4. handelingsgericht
observeren, registreren en evalueren.
ad.1
De doelen
Het gaat in essentie om bevordering van een brede persoonsontwikkeling. Die
omvat motivationele en emotionele ontwikkeling (zelfvertrouwen en welbevinden
bijvoorbeeld), sociale, communicatieve en meta-cognitieve competenties
(zelfsturing, redeneren en probleemoplossen bijvoorbeeld) en specifieke kennis
en vaardigheden (onder meer op het gebied van motoriek, waarneming, taal- en
begripsvorming, lezen en schrijven).
Deze doelen zijn in een
cirkelschema weergegeven in de vorm van drie concentrische cirkels. Ze zijn
richtinggevend voor het handelen van leerkrachten die een aanbod ontwerpen dat
op elk van de drie gebieden, in samenhang, is gericht. Er zouden bij wijze van
spreken taartpunten uit de cirkel gesneden kunnen worden, die elk een deel van
de drie doelencirkels bestrijken.
ad.2
Kernactiviteiten
Een vijftal kernactiviteiten,
die voor de hele onderbouw van wezenlijk belang geacht worden
- Spelactiviteiten:
manipulerend spel, bewegingsspel en rollenspel.
- Constructieve en
beeldende activiteiten: producten maken met expressie-, constructie-, bouw-
en toevallige materialen en technieken.
- Gespreksactiviteiten:
interacties en gesprekken tussen leerkracht en kinderen in de kleine en de
grote kring en andere kringactiviteiten met een accent op communicatie taal
en geletterdheid.
- Lees-schrijfactiviteiten:
beginnende geletterdheid in spelactiviteiten, functionele
lees-schrijfactiviteiten met eigen teksten en diverse middelen om teksten te
maken.
- Reken-wiskundeactiviteiten:
wiskundige handelingen in spelactiviteiten, wiskundige denkhandelingen en
mathematiseren.
Deze kernactiviteiten
worden verbonden aan relevante inhouden of thema's die de sociaal-culturele
context vormen. Activiteiten gáán altijd ergens over; niet alleen handelingen
bepalen de waarde van een activiteit voor kinderen, maar vooral de inhoud. Ze
spelen over de winkel, de dierenarts, het kabouterfeest; ze lezen en schrijven
over het circus, het nieuwe huis naast de school of het mooie-spullen-museum.
Activiteit en inhoud sámen zorgen voor een betekenisvol en
ontwikkelingsstimulerend aanbod.
ad.3
Het aandeel van de
leerkracht
Deelname aan
kernactiviteiten is op zich nog geen enkele garantie dat deze gewenste
ontwikkelings- en leerprocessen inderdaad plaatsvinden. Doelgerichte
beïnvloeding of sturing is nodig om verder te komen in en door die
activiteiten. Sturing die in het handelen van de leerkracht besloten ligt en
gericht is op het uitlokken, stimuleren en optimaliseren van ontwikkeling.
Hiermee raken we de essentie van de ontwikkelingsgerichte strategie in
Basisontwikkeling.
Sturing aanbrengen is een kwestie van 'bemiddelen' tussen mogelijkheden en
behoeften van kinderen enerzijds en gerichte ontwikkelingsstimulering
anderzijds. Daarom wachten leerkrachten initiatieven van kinderen niet louter af
en beroepen ze zich niet op spontane ontwikkelingsprocessen. Zij lokken
ontwikkeling uit, lopen als het ware vooruit op toekomstige
ontwikkelingsprocessen omdat ze een duidelijk perspectief voor ogen hebben waar
doelgericht en systematisch naar toe gewerkt wordt. Maar altijd op basis van
motieven, betekenissen en inbreng van de kinderen in kwestie.
Deze sturende functie brengt een aantal taken voor leerkrachten met zich mee:
- Leerkrachten ontwerpen
en plannen een aanbod dat aansluit bij de actuele ontwikkeling en bij de
motieven van de kinderen (een thematisch aanbod zorgt voor samenhang en voor
een gemeenschappelijk referentiekader).
- Ze betrekken kinderen
bij het aanbod en helpen hen keuzen te maken, initiatieven te nemen en
plannen te maken, bij het overzien en maken van gezamenlijke plannen en bij
de uitvoering en reflectie.
- Ze nemen deel aan de
activiteiten zodat ze, in interactie met kinderen, de activiteit zo kunnen
begeleiden dat ontwikkeling en leren geoptimaliseerd worden.
- Ze dragen zorg voor
een didactische organisatie die het mogelijk maakt op een interactieve
wijze, in klein groepsverband, met kinderen te spelen en te werken.
- Ze observeren
activiteiten van kinderen en reflecteren daarop, zodat gegevens voorhanden
zijn om de juiste beslissingen te nemen voor de verdere invulling van het
aanbod en voor het begeleidend handelen (de hulp).
- Ze zorgen voor een
systematische cyclus die bestaat uit het ontwerpen en de planning van het
aanbod, het uitvoeren en de reflectie daarop die de voortgangsbeslissingen
mogelijk maken, en de evaluatie van het ontwikkelingsverloop bij kinderen en
van het eigen pedagogisch-methodisch handelen op grond waarvan de cyclus
weer voortgezet kan worden.
ad.4
Handelingsgericht
observeren
HOREB is de
naam van het observatiesysteem dat de informatie en instrumenten bevat voor
systematische observatie, registratie en evaluatie (Handelingsgericht
Observeren, registeren en Evalueren van Basisontwikkeling).
Het observatiesysteem
heeft twee functies. Observeren is in de eerste plaats nodig om beslissingen
voor een goed onderwijsaanbod te nemen: om activiteiten van kinderen goed te
begeleiden en om een vervolgaanbod te kiezen. Observatiemodellen verschaffen de
aandachtspunten voor deze observaties; ze zijn afgeleid van de
ontwikkelingsperspectieven die bij elk van de kernactiviteiten zijn beschreven.
De tweede functie is
evaluatie van de groei die kinderen doormaken. De evaluatie bestaat uit een
entreeprocedure en uit een procedure voor periodieke evaluaties. Beide voor een
geregeld stand van zaken overzicht in de ontwikkeling van elk kind.
De HOREB-map bevat naast
alle instrumenten ook een uitgebreide toelichting op het gebruik en op de plaats
die observatie en reflectie innemen in de invoering van het concept en werkplan
in de praktijk.
|